Antwerpse Kathedraalconcerten vzw

Het klassieke Metzler-orgel (1993)




Inleiding
Het Metzler-orgel werd geplaatst in 1993 en gesponsord door Agfa-Gevaert N.V. en Bayer Antwerpen N.V. De bouw in die tijd van een tweede groot orgel in de Kathedraal van Antwerpen was geen vanzelfsprekende zaak, de Kathedraal bezat immers reeds het monumentale 90-registers tellende Schyven-orgel. De motivering ligt vooral in de grote veranderingen op liturgisch en concerterend gebied tijdens de voorbije decennia. De huidige liturgie vraagt een nauw contact tussen altaar, koor en orgel. Dank zij de plaatsing van het Metzler-orgel in de zuidelijke kooromgang (rechter zijbeuk) is dit inderdaad nu het geval. Dit was met het Schyven-orgel moeilijk te realiseren gezien de grote afstand tussen het orgel achteraan in de Kathedraal en het altaar. Bovendien is het romantische Schyven-orgel vooral geschikt voor de uitvoering van symphonische 19de- en 20ste-eeuwse orgelliteratuur. Een tweede orgel, in klassieke stijl, was derhalve aangewezen.

Karakter van het instrument
Omdat het ook met twee instrumenten nog niet mogelijk is, meer dan zes eeuwen muzikaal repertoire te bestrijken, moest voor de dispositie van dit nieuwe klassieke orgel een doordachte keuze worden gemaakt. Op grond van verscheidene overwegingen, waaronder de geschiktheid voor de muziek van J.S. Bach, werd tenslotte gekozen voor een synthese tussen een Frans en een Middenduits type, waarvan diverse karaktervolle historische voorbeelden de mogelijkheid overtuigend hebben aangetoond. Een doorgedreven internationale prospectie bracht de firma Metzler Orgelbau, uit Dietikon Zwitserland, naar voor als de meest geschikte kandidaat om aan de strenge artistieke en technische eisen te kunnen voldoen.

Opbouw van het Metzler-orgel
Het nieuwe orgel is ondergebracht in twee massief eiken kasten, met kader- en paneelwerk geconstrueerd. De windvoorziening bevindt zich in een aparte bekisting achter het orgel aangebracht en bestaat uit een magazijnbalg, gevoed door een electrische ventilator. Het orgel heeft drie manualen en een pedaal. De witte ondertoetsen zijn belegd met been en de zwarte boventoetsen zijn vervaardigd in ebbenhout, net zoals de fraai gedraaide registerknoppen.

De speeltafel is ingebouwd in de hoofdkast van het orgel. Het instrument telt
45 registers met een totaal van 3.322 pijpen. De toets- en registertractuur zijn volledig mechanisch.

De indeling van het front weerspiegelt de inwendige bouw van het instrument. De frontpijpen behoren tot de basisregisters van de erachter liggende werken en zijn omwille van het zicht uit metaal gemaakt met een hoog tingehalte. Achter de onderste rijen frontpijpen van de grote orgelkast bevinden zich de windladen en binnenpijpen van hoofdwerk en pedaal, die vanwege de beperkte plaats gedeeltelijk op gemeenschappelijke windladen doorheen zijn gebouwd en ook een aantal van hun grootste pijpen met elkaar delen.Het hoofdwerk bevat de grootste en sterkste registers van het orgel en heeft de breedste klank. Het is het minst solistisch werk en heeft dan ook als tweede functie het begeleiden van solostemmen die op een van de andere werken worden gespeeld.

Achter de bovenste rijen frontpijpen bevindt zich het boven-werk. Het is minder fors van klank dan het hoofdwerk, maar bevat meer registers voor het maken van solistische klankkleuren. Door zijn hogere opstelling leent het zich ook goed tot echo-effecten.

In een apart kastje met een eigen front, in de balustrade achter de rug van de organist, bevindt zich het rugwerk. Het bevat vooral hogere registers en is daardoor lichter en penetranter van character. Door zijn gunstige opstelling, dicht bij de toehoorders, kan het tegenover het hoofdwerk uitstekend de functie vervullen van 'solist tegenover orkest'. Vele werken uit vooral de Duitste Barokliteratuur maken hiervan dankbaar gebruik.

Bij een gemengd Frans-Duits orgeltype vereisen de tongwerken speciale aandacht. De Franse zijn sterker en briljanter dan de Duitse, maar nemen naar de hoge tonen toe duidelijk af in sterkte. De Duitse zijn ronder van klank en lenen zich door hun gelijkmatige klanksterkte goed tot het spelen van polyfone muziek. Daarom is het wenselijk over beide typen te kunnen beschikken. Omdat de tongwerken van hoofd- en rugwerk een belangrijke functie vervullen bij het vormen van karakteristieke Franse registraties, zijn deze op de Franse manier geconstrueerd, eveneens als die van het pedaal. De trompet van het bovenwerk is daarentegen in Duitse bouwwijze uitgevoerd.